Zwitserse woordenlijst

Wat is dit? En dat moet duits zijn?
Dit hebben menig nieuw aangekomen landgenoten zich hoofschuddend afgevraagd, als zij voor het eerst kennisgemaakt hebben met de krassende g en de rest niet verstaan hebben.
Wij geven hierbij een paar veelgebruikte Zwitserse woorden die je zeker zult tegenkomen tijdens het verblijf in Zwitserland en die je zeker niet zult begrijpen als je ze voor de eerste keer hoort.

Anke - Boter
Chäschüechli - Kleine kwarkkoek
Chile - Kerk
Chuchi - Keuken
Chuchichäschtli - Keukenkastje (dit is een schoolvoorbeeld voor de Zwitserse taal)
Finken - Pantoffels (maar niet pantoffelheld)
Föifli(i)ber - 5 Frankenmunt
Gipfeli - Croissant
Gruusig - Akelig, weerzinwekkend, slecht
Güsel - Afval, vuil
Guetsli - Koekje
Gruezi - Dag, goedendag, goedemorgen (is een algemeen groetwoord)
Harass Kasten,Kiste - Krat (bier koop je in Zwitserland per krat)
Härdöpfel - Aardappel
Lafere - Kletsen (liefere nid lafere = werken niet kletsen)
Natel - Een mobiele telefoon
Nastüechli - Zakdoek
Rahm - Room/slagroom
Sack - Zak, wordt vooral in samengevoegde woorden gebruikt zoals; zakmes, zakgeld
Schmöcke - Ruiken. Dit woord wordt niet gebruikt voor smaak/proeven
Stäge - Opstap, trap
Zapfezieher - kurkentrekker